Lezen

Spring naar een niveau:
A1A2B1B2

Op deze pagina vind je Engelse leesopdrachten om te oefenen, ingedeeld op niveau.
Vraag aan jouw docent op welk niveau jij het best kunt oefenen.

Tips:
– Houd dit online woordenboek bij de hand.
– Klik hier voor een goede aanpak van leesopdrachten!

A1 A2
Nederlandse vragen
The Titanic
Thunder and Lightning
Signs

Engelse vragen
Accommodation
Daily Routine
Weather
Free Time
My day
My name is John
My Wonderful Family
Our Vacation
Preparing Food
The House

Nederlandse vragen
Signs
More signs
Mobile phones
Weather forecast
Buy a book online
On holiday
News items
Golf balls
Wild bear
Robofish
Fat cat

Engelse vragen
Finders keepers
Stonehenge village
Wheelchair
Accommodation
Shopping
Education
Daily routine
Transport
Free time
Weather
A great summer vacation
At school
Days of the week
Dinner preparation
Food
Going to the Supermarket
Letter to a Friend
My family at home
My morning routine
Numbers
Running errands
The city where I live
The pet store

B1 B2
Nederlandse vragen
Drunken groom
St. Patrick’s Day
Divorce
Eyeball jewellery
Leap day
Archaeological mystery
Titanic goes down
Convict transport

Engelse vragen
Cheese and onion pie
Job application
Education 1
Education 2
Hotel reviews
Free time
Holidays
Travel
Health
Chicago
Christmas
Going to work
Halloween
Jobs and Professions
Las Vegas
London
Los Angeles
Miami
My city
Plants
San Francisco
Thanksgiving
The Empire State Building
The four seasons
The Golden Gate Bridge
The Grand Canyon
Most expensive taco
The Statue of Liberty
Valentine’s Day
Washington, D.C.
Yellowstone National Park

Engelse vragen
Haunted house
Eating humans
Highway 66
Andy Warhol
Berlin wall
Walter Mitty
Job advertisements
Talking about countries
Describing places
Sport
The Environment
Health
Transport
Holidays
Boston
Body Parts

Aanpak leesopdrachten:

  1. Bekijk de tekst (titel, inleiding, plaatjes); waar zal de tekst over gaan?
  2. Lees de eerstvolgende vraag
  3. Bedenk wat je precies zoekt en waar je dat in de tekst zal vinden. Markeer dat gedeelte.
  4. Beantwoord de vraag met behulp van de tekst.

Tip:
Leer jezelf aan om jouw antwoorden letterlijk, met je vinger, aan te wijzen in de tekst.
Kun je jouw antwoord niet precies aanwijzen? Dan is het waarschijnlijk fout.

Heb je een antwoord fout?
Lees het stuk(je) tekst waar het om gaat nog eens.
Probeer uit te zoeken waarom jouw antwoord niet goed kan zijn en zoek het juiste antwoord.

Heb je alle antwoorden goed?
Doe een andere tekst en probeer misschien zelfs na een paar teksten een hoger niveau.