Betrekkelijke voornaamwoorden

Uitleg
Als je het over mensen hebt, gebruik je who:

  • My grandpawho is 76 years old, stole a car.
  • I’m talking about the children who play outside.

Als je het over dieren of dingen hebt, gebruik je which:

  • This building, which is 234 feet tall, is worth millions.
  • That’s the cat which ate all the food.

In plaats van who en which mag je ook (bijna) altijd that gebruiken, maar niet na een komma:

  • I’m talking about the children that play outside.
  • That’s the cat that ate all the food.

Oefeningen
Oefening 1
Oefening 2
Oefening 3
Oefening 4
Oefening 5